Godlof

Hun namen worden gered
Keren terug in de stad
Waar zij woonden
De weggevoerden

In de straat waar hun huis staat
In de stoep waar hun voetstap ligt
Zal hun leven
En na de wegvoering
Ook hun-niet-meer-leven
Leesbaar zijn

Leesbaar voor ieder
Die daar even stil zal staan
           Stil zal zijn

In hun namen keren zij weer.

– Stolpersteine, Inez Meter, 2011

Met dit gedicht opent het indrukwekkende boek ‘Hier woonden’, van Soesja Citroen. Het boek kenmerkt zich door het herhaaldelijke, sobere ‘Hier woonde’, gevolgd door namen, adressen, geboorteplaats en sterfplek, meestal een concentratiekamp. Deze mensen woonden ooit in deze stad, onze stad, noemden Gouda hun thuis, maakten hier herinneringen. Bijna 400 namen worden genoemd, hun verhalen verteld. Opdat we nooit vergeten.

Het lezen ervan snijdt je door de ziel. Het zijn verhalen die je stil maken, vervullen van verdriet en verbijstering. Sommige verhalen raken je extra diep, omdat ze zo akelig dichtbij komen. Verhalen van mensen zoals jij en ik. Van kinderen, in de leeftijd zoals ze bij ons thuis zijn. Die genoten hebben van het groen aan de bomen in de lente, van het geroezemoes van de stad, de drukte op de markt. Van kinderen die speelden in het Houtmansplantsoen, tot het niet meer mocht. Die naar school gingen met andere kinderen uit de buurt, tot het niet meer mocht. Gingen zwemmen in het zwembad, tot het niet meer mocht. Omdat ze Joods waren. Voor Joden verboden. 

Een van die namen is Andries Samuel van Wijnbergen. Naast zijn werk als accountant zat hij in de Goudse gemeenteraad. Hij was, net als ik, actief in de politiek. In 1940 al werd hij, enkel vanwege zijn Joodse achtergrond, uit deze functie ontheven. In de nacht van 23 oktober 1944 werd Andries thuis aan de Fluwelensingel gearresteerd door leden van de Landwacht. Hij zou overgebracht worden naar Rotterdam. Maar onderweg net voorbij de Julianasluizen waar nu Westergouwe is, wat toen nog Moordrecht was, werd hij gefusilleerd. Bij de Hoeve Nooitgedacht schiet een Nederlandse SD’er hem in koelen bloede dood. Zonder proces, zonder verantwoording ten tijde van de bezetting. Rechteloos, redeloos. Ook in onze stad, ook in het dorpje van mijn jeugd, was de wetteloosheid.  Hier zijn geen woorden voor, en tóch… Op 4 mei zijn we stil… én we proberen woorden te vinden, stamelend, met een brok in de keel en een zwaar gemoed. Omdat we denken: dit nooit weer.

Als schoolkind opgegroeid aan de Hollandse IJssel in het dorp Moordrecht, kende ik die verhalen van zo dichtbij, wat zich had afgespeeld zo in de buurt nog niet. Toch was dodenherdenking op 4 mei een vanzelfsprekend moment. Om stil te zijn, te herdenken hoe velen waren weggevoerd en vermoord. We dachten aan het verzet, de moedige mensen en het levensreddende werk dat werd gedaan. Boeken als Snuf de Hond, Holland onder het Hakenkruis, Engelandvaarders, ze werden door mij verslonden. En het was vanzelfsprekend welke keuzes een mens zou maken in de oorlog. Zoals het vanzelfsprekend was dat zulke verschrikkingen nooit meer zullen plaatsvinden.

Toen was ik een kind en dacht ik als een kind. En het zal zo blijven dat de boeken en gedachten van weleer ook gedachten voor het nu hebben gevormd die je meedraagt. Maar ze waren niet de hele waarheid. Integendeel. Van de Joodse gemeenschap die hier voor de oorlog voluit het Joodse leven kende, was maar een kleine rest over na de oorlog. En het grootste deel van de stad, van mijn dorp destijds, was niet actief in het verzet. Ook niet actief bij de NSB. Maar leefde onder het juk van de bezetting en zette niet de stap naar voren toen stadsgenoten werden weggehaald. Van Gouda wordt nog geschreven door de Duitse bezetter dat de bevolking en de gemeentepolitie wel erg meelevend is als Joodse Gouwenaren worden weggevoerd. Men was vriendelijk, maar het stopte niet.

Vandaag mag ik hier voor u de 4 mei-gedachtenis uitspreken en dat doe ik met een groot gevoel van verantwoordelijkheid. Want vandaag staan we stil bij al die Nederlanders – burgers of militairen die in ons Koninkrijk of waar ook ter wereld zijn omgekomen, zowel tijdens de Tweede Wereldoorlog, in Indonesië, als in oorlogssituaties en bij vredesoperaties daarna. Het is vandaag de dag van herdenken, van rouw dragen. En óók een dag van besef hoe kostbaar de vrijheid is, die we morgen gaan vieren. En als wij straks op de Markt stil zijn, met de vaste wens, dit nooit meer. 

We hebben de dure plicht de verhalen van onze stadsgenoten die in de oorlog omgekomen zijn te blijven vertellen, met stilte en met woorden. Om de namen te blijven noemen. Het is van belang om het collectieve geheugen van onze stad van ons land te blijven voeden met beelden uit het verleden, want wie niet leert van het verleden, zal dezelfde valkuilen niet opmerken. De recente opmars van antisemitisme onderstreept dat belang opnieuw.  

Dit herdenken heeft ook een bepaalde transcendentie: in het collectieve herdenken van dit hoofdstuk uit onze geschiedenis, overstijgen we voor een moment de vele breuklijnen die onze samenleving kent. Vandaag zijn we allemaal één. Jood en niet-Jood. Man en vrouw. Progressief en conservatief. Het verleden dringt ons daartoe. Het heden vraag erom. De stilte verbindt ons. We zeggen tezamen: nie wieder. Dit nooit meer. 

Met Lex van der Helm wandelde ik recent door Gouda, om over de Joodse historie van deze stad te horen. Hij vertelde over de razzia in april 1943, toen het Joodse bejaardenhuis aan de Oosthaven ook niet meer ontsnapte. Over de dappere directrice mevrouw Teixeira de Mattos, die haar mensen niet in de steek liet, meeging naar Westerbork en als enige de transporten overleefde. We liepen langs de Stolpersteine, de gedenkstenen die herinneren aan de Joodse gemeenschap van voor de oorlog. We memoreerden dat die week de laatste stolpersteine, struikelstenen van onze stad geplaatst zijn. 

Aan het eind van onze wandeling merkte Lex op: ‘Zo ver weg is het niet. Je bent zo terug in een spiraal waarin mensen tot schuldige en zondebok worden gemaakt.’ 

En daar hebben we allemaal voor te waken. De Joodse gemeenschap is de kleinste gemeenschap in Gouda en daarmee ook de kwetsbaarste. En juist wat kwetsbaar is, verdient allermeest onze bescherming. Gouda is een stad van minderheden. Nederland is een land van minderheden, gebouwd op de overtuiging dat onze democratische rechtsstaat eeniederbescherming biedt en ruimte en vrijheid geeft voor verschil. Denk maar na, eigenlijk behoort elk van ons, ook jij hier in de Sint Jan tot een minderheid. 

Deze bijdrage vandaag bepaalt me bij de vanzelfsprekendheid die ik ooit had bij Dodenherdenking. Het moment van ons samen, om uit te spreken; dit nooit meer. Wie wereldwijd rondkijkt, wie kijkt wat er op muren geschreven wordt, of op online fora, wie de krant leest, weet… zo vanzelfsprekend is het niet. We zijn hier bijeen in een kerk die daar met verschillende glazen aan herinnert. Maar ook laat zien dat er momenten zijn dat het er op aankomt. Omdat er dreiging is van buiten, andere landen. En misschien ook van binnen, als we niet meer zien hoe kostbaar vrijheid is. Dat het soms een prijs vraagt om de ander te tolereren. En dat niemand zichzelf daarin moet overschatten.

Sinds een aantal jaar lees en herlees ik het verslag van Floris Bakels, de man die in verschillende doorgangs- en vernietigingskampen vastgehouden werd. Levend tussen nacht en nevel. Zo heeft zijn verslag ook, hij schrijft in Nacht und Nebel de scherpe woorden: ‘De Duitse macht is in 1945 verslagen, maar nadien is feitelijk niets tot een oplossing gebracht. Het uitmoorden van zes miljoen joden, met name, is niet gevolgd door iets dat herhaling onmogelijk maakt. Men heeft zich niet bekeerd. (…) Roependen in de woestijn waarschuwen terecht voor komende catastrofes. Als schrijver voeg ik mij bij hen. De doden verplichten mij daartoe.’ 

Het zijn indringende woorden. Ze zetten voor mij op scherp waarom dit herdenken zo belangrijk is. Waarom we niet moeten nalaten te onderstrepen dat vrijheid kostbaar is. Dat het om een innerlijke overtuiging vraagt, ook in onbestemde tijden. Dat onze vrijheid een verantwoordelijkheid is. ‘De doden verplichten ons daartoe.’ De Stolpersteine herinneren ons eraan, de verhalen van hedendaagse veteranen over hun gesneuvelde kameraden bij vredesoperaties evenzeer. Ook bij u zullen er verhalen zijn die u meedraagt.

Om acht uur zijn we stil, ik hoop van harte dat het in heel ons land stil is. In een gezamenlijk herdenken. In waardigheid, opdat we niet vergeten. Wie zij waren, hoe ze leefden in onze stad. ‘In hun namen keren zij weer,’ schreef Inez Meter. Vandaag noemde ik de naam van Andries Samuel van Wijnbergen. Vermoord omdat hij Joods was, zonder proces. Vandaag noemde ik de naam Sarah Teixiera de Mattos, moedig stond ze de oudjes bij, ook toen ze weggevoerd werden met de trein. Ik zou vele andere namen kunnen noemen. 

Hun namen verplichten ons er toe, om op te staan voor die stad waar allen veilig zijn, waar we haat een ferm halt toeroepen, waar we de ander kennen als gegeven leven, waar we weet hebben van onze geschiedenis. Van de waarde van gerechtigheid, van vrede. ‘In hun namen keren ze weer.’